Verjaring van financiële aanspraken in het ambtenarenrecht
In een uitspraak van de CRvB van 19 oktober 1995 (TAR 1995/263 en JB 1996, 11) heeft de Raad zich uitgesproken over verjaring van financiële aanspraken in het ambtenarenrecht. In onderhavige zaak deed een ambtenaar een beroep op een (thans vervallen) wettelijke verjaringsbepaling (later artikel 123 Ambtenarenwet en per 1 juli 2009 artikel 4:104 Awb) op grond waarvan haar rechtsvordering, een geldschuld jegens haar werkgever door verloop van vijf jaren zou zijn verjaard.
De Raad overweegt dat er twijfel bestaat over de reikwijdte van de verjaringsbepaling in het ambtenarenrecht. De woordkeus, met name het woord ‘rechtsvordering’ duidt er op dat met name is gedacht aan een contentieuze procedure[1] voor de gewone rechter.
Daarbij komt dat verjaring in het bestuursprocesrecht alleen in uitzonderlijke situaties voorkomt. In het bestuursprocesrecht gelden immers allerlei termijnen (vervaltermijnen en beroepstermijnen). Iemand die stelt een financiële aanspraak jegens de overheid te hebben, dient in de regel binnen een korte termijn actie te ondernemen teneinde te voorkomen dat de vraag of sprake is van een rechtens geldende aanspraak uiteindelijk niet meer aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd.
Voorts stelt de Raad dat verjaring is gekoppeld aan het bestaan van een rechtsvordering, dat wil zeggen aan de mogelijkheid om je tot een rechter te wenden. Een dergelijke koppeling zou op het terrein van het bestuursrecht tot ongewenste gevolgen leiden. Immers, anders dan in het burgerlijk procesrecht, is het in het bestuursrecht pas mogelijk om de rechter te benaderen als er sprake is van een appellabel besluit. Toepassing van de wettelijke verjaringsbepaling zou dan meebrengen, dat in geval van een geldschuld nog lang na het verstrijken van 5 jaren om een besluit kan worden verzocht en dat de verjaringstermijn vervolgens pas aanvangt na het nemen van een besluit op dat verzoek.
De Raad komt tot de conclusie dat de wettelijke verjaringsbepaling niet voor de bestuursrechter in ambtenarenzaken is geschreven. Naar het oordeel van de Raad brengt het beginsel van rechtszekerheid met zich mee dat de ambtenaar financiële aanspraken jegens de overheid na het verstrijken van een bepaalde termijn niet meer kan afdwingen. De Raad ziet daarbij geen reden om af te wijken van hetgeen reeds in wetgeving en rechtspraak is ontwikkeld. De Raad stelt de verjaringstermijn op vijf jaren.
Tot slot overweegt de Raad in deze uitspraak nog het volgende: De verjaringstermijn gaat lopen vanaf het moment waarop redelijkerwijs kan worden gezegd dat op de geldende voorschriften en het vervuld zijn van de daarin gestelde feitelijke voorwaarden in beginsel een financiële aanspraak kan ontstaan.
Het bestuursorgaan kan reeds in de fase van besluitvorming een beroep op verjaring kan doen. Ook een verzoek om terug te komen op een eerder besluit kan onder omstandigheden op de verjaring stranden.
Door verjaring vervalt alleen de afdwingbaarheid, niet de aanspraak: voldoening na vijf jaar van een aanspraak houdt geen onverschuldigde betaling in.
Er vindt geen ambtshalve toepassing van verjaring door de rechter plaats.
Toelichting
In de praktijk betekent een en ander dat een ambtenaar een verzoek kan doen bij zijn werkgever om nakoming van een financiële aanspraak die hij meent te hebben op zijn werkgever. Voorts neemt het bestuursorgaan daarover een besluit. Indien de ambtenaar het niet mee eens is met dat besluit, kan hij zich (na bezwaar) tot de bestuursrechter wenden. De bestuursrechter beoordeelt of er een verplichting tot betaling bestaat en daarbij hoort de beoordeling of de er sprake is van verjaring op basis van de rechtszekerheid. Indien de bestuursrechter tot het oordeel komt dat er een verplichting tot betaling is die niet is verjaard en het bestuursorgaan gaat desalniettemin niet tot vrijwillige betaling over (hetgeen in de praktijk niet vaak zal voorkomen) dan kan de ambtenaar de nakoming van de vordering tot betaling bij de burgerlijke rechter afdwingen. De wettelijke verjaringsbepaling, met ingang van 1 juli 2009 is dat artikel 4:104 Awb, voorziet in deze laatste mogelijkheid.
[1] Een contentieuze procedure is een procedure die een burgerlijk geschil tussen twee partijen beslecht, in de regel ingeleid met een dagvaarding en eindigend met een vonnis of een arrest.