Zoeken

Inkoop extra ouderdomspensioen


Voor wie geldt de extra inkoop
De inkoop van extra ouderdomspensioen is een onderdeel van het FLO-overgangsrecht. Het recht geldt voor medewerkers die:

  • op 31 december 2005 in een functie werkten die uitzicht gaf op FLO én,
  • op 1 januari 2006 en aaneengesloten daarna in een daadwerkelijk bezwarende functie werken én
  • geen recht meer hebben op FPU.

Inhoud afspraak inkoop extra ouderdomspensioen
De oude FLO-regeling maakte het mogelijk dat medewerkers eerder dan 65 jaar stopten met werken. In het overgangsrecht is gezocht naar mogelijkheden om binnen de nieuwe fiscale regels (per 2006) nog eerder te kunnen stoppen met werken. Dit kan mede door het inkopen van extra pensioen. Het extra pensioen wordt deels ingekocht door ABP (2jaar en 3 maanden) en deels door de werkgever (9 maanden).

Hierdoor kan de medewerker (met 20 jaar in een bezwarende functie) op z’n 62ste stoppen met werken. Hij ontvangt dan een pensioen dat ongeveer net zo hoog is als het pensioen dat hij met de oude FLO-regeling op 65 jaar zou hebben ontvangen. Voor de extra inkoop gebruiken ABP en de werkgever de fiscale ruimte voor pensioenopbouw die in het verleden niet is gebruikt.
Meer informatie

Uitwerking CAO-afspraak
Voor het inkopen van de 9 maanden extra pensioen wordt gebruik gemaakt van een bestaand product van het ABP: het ABP Extra Pensioen (AEP).
Hoofdlijnen van de afspraak inkoop OP:

  • de werkgever stort op 53-jarige leeftijd voor de medewerker een nader te bepalen bedrag in AEP,
  • met een van tevoren vastgesteld verwacht rendement zal dit leiden tot 9 maanden x 76% van het middelloon op de leeftijd van 62 jaar, waarbij het middelloon het gemiddelde loon is over de dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar (dan vindt namelijk de storting plaats),
  • als de fiscale ruimte het niet mogelijk maakt het gehele bedrag te storten in AEP dan wordt het deel van het bedrag dat niet in AEP gestort kan worden (onder inhouding van loonheffing) naar de medewerker overgemaakt

Het feit dat het ABP en de werkgever een bepaald bedrag aan extra ouderdomspensioen inkopen, zegt niets over de hoogte van het bedrag dat uiteindelijk, tot aan het overlijden, aan pensioen door het ABP wordt uitbetaald. Voor de hoogte van het pensioen is de persoonlijke situatie van de medewerker.
Meer informatie

Hoogte bedrag en moment storting
De hoogte van het bedrag dat de werkgever stort, komt overeen met 9 maanden middelloon
Het benodigde kapitaal bedraagt dus 9/12 x 76% = 57% van het middelloon. Op het moment dat de medewerker 53 jaar wordt, stort zijn werkgever een bedrag in AEP. Het gemiddelde inkomen (rekening houdend met de deeltijdfactor en de indexering) van alle dienstjaren wordt vermenigvuldigd met 57%. Dit is het bedrag dat op 62 jaar gegenereerd moet zijn. Omdat de storting al op 53-jarige leeftijd plaatsvindt, wordt dit bedrag vermenigvuldigd met een zogenaamde leeftijdsafhankelijke factor

Uiteindelijk leidt de storting van dit bedrag in AEP, bij het behalen van het verwachte rendement, op de leeftijd van 62 jaar tot een pensioenuitkering van 9 maanden maal 76% van het middelloon over alle dienstjaren tot 53 jaar. Hiermee wordt de periode van 62 tot 62 jaar en 9 maanden overbrugd.
De storting van de werkgever wordt opgeteld bij het ABP pensioen. Dit leidt tot een vergelijkbaar pensioen dat de medewerker had gehad vanaf zijn 65ste.
Meer informatie

Leeftijd 53
De storting wordt gedaan als de medewerker 53 jaar wordt. Reden hiervan is dat het wenselijk is de storting op een zo laat mogelijk moment te doen. De totale kosten van dit onderdeel van het FLO-overgangsrecht hoeven dan niet op korte termijn al gemaakt te worden.
Later dan 53 jaar storten kan niet. Het effect van de storting op het ouderdomspensioen is namelijk pas zichtbaar op het pensioenoverzicht van de medewerker het jaar nadat de werkgever de storting heeft gedaan. Er wordt gestort op 53 jaar, zodat de medewerker dan op 54-jarige leeftijd het bedrag terugziet op zijn pensioenoverzicht. Een half jaar voordat betrokkene 55 wordt (als de oude FLO-leeftijd 55 was) moet hij bij zijn werkgever aangeven van welke mogelijkheid uit het FLO-overgangsrecht hij gebruik gaat maken (helemaal stoppen met werken, deels doorwerken, volledig doorwerken, uit dienst treden of het keuzemoment opschuiven). Om een goede keuze te kunnen maken is het belangrijk om een zo compleet mogelijk overzicht te hebben van het te verwachte ouderdomspensioen (incl. inkoop van het ABP en werkgever hetgeen terug te vinden is in ABP Extra Pensioen).
Een laag ouderdomspensioen kan voor betrokkene immers een reden zijn om de werkgever te verzoeken langer te mogen doorwerken en het keuzemoment op te schuiven. Om een goede keuze te kunnen maken is het nodig dat het effect van de storting van de werkgever voor de medewerker zichtbaar is.
Meer informatie

Wat moet de werkgever doen?
Als de medewerker 53 jaar wordt, berekent de werkgever het bedrag dat moet worden gestort in AEP. De gegevens die de werkgever nodig heeft voor de berekening kunnen worden opgevraagd bij het ABP. In onderstaand stappenplan is de uitwerking beschreven voor een medewerker die op leeftijd 53 jaar minimaal 20 jaar in een bezwarende functie heeft gewerkt. Verderop worden uitzonderingen beschreven.

  • De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnen afzienbare tijd 53 jaar wordt.
  • De werkgever laat de medewerker een formulier tekenen waarmee de medewerker toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens aan de werkgever te verstrekken.
    Zie Voorbeeldformulier
  • De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en deeltijdfactoren per jaar op van de ABP-dienstjaren conform het FLO-overgangsrecht van de medewerker. Tevens vraagt de werkgever de indexatiefactoren op bij het ABP. Hiertoe neemt de werkgever contact op met de afdeling BU-SV, Verstrekken Informatie Klantgroepen (VIK) van het ABP (postbus 4806, 6401 JL Heerlen). De werkgever geeft aan welke jaren voor deze medewerker ABP-dienstjaren conform het FLO-overgangsrecht waren. Het ABP levert de werkgever de pensioengevende inkomens van die jaren, de bijbehorende deeltijdfactoren en de indexatiefactoren
  • De werkgever vermenigvuldigt de pensioengevende inkomens per dienstjaar met de deeltijdfactor en vervolgens met de indexatiefactoren. De werkgever telt de bedragen bij elkaar op en deelt het door het aantal dienstjaren van de medewerker. Vervolgens wordt dit bedrag vermenigvuldigd met 57%.
  • Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij leeftijd 53 geldt.
  • De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag wordt gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen (59.34.95.004, ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct gevolgd met het klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)
    Voorbeeldberekening
  • Niet per 1 januari in dienst getreden
    Als de medewerker niet per 1 januari in dienst is gekomen, maar op een later moment in een kalenderjaar dan moet de berekening worden aangepast. Het niet gehele jaar wordt naar rato meegenomen. Dit geldt voor een niet volledig eerste kalenderjaar en een niet volledig laatste kalenderjaar voor de 53ste verjaardag van de medewerker.
    Voorbeeldberekening

    Geen ABP-dienstjaren
    De werkgever geeft aan welke jaren ABP-dienstjaren conform het FLO-overgangsrecht waren. Het ABP levert de werkgever de pensioengevende inkomens van die jaren, de bijbehorende deeltijdfactoren en de indexatiefactoren. Voor een aantal categorieën levert dit een praktisch probleem op. Zo was de vrijwilliger bij de brandweer geen deelnemer van het ABP. Het ABP beschikt dan ook niet over inkomensgegevens over de jaren als vrijwilliger. Ditzelfde geldt voor ambulancemedewerkers die eerst bij een ambulancedienst van een ziekenhuis in de particuliere sector hebben gewerkt. Deze jaren maken onderdeel uit van dienstjaren waarover het gemiddelde inkomen moet worden berekend.
    Hoe te handelen

    Rekentool
    Er is een rekentool .  Hiermee kan de berekening voor de storting van extra pensioen worden uitgevoerd.

    Uitzonderingssituaties
    De in deze module beschreven uitwerking van de storting van de inkoop van extra pensioen gaat ervan uit dat:

    • de medewerker op 53 jaar minimaal 20 dienstjaren in een bezwarende functie heeft én
    • de medewerkers tot z’n 53ste in dienst in een bezwarende functie is gebleven.

    Er kunnen zich echter situaties voordoen waardoor bovenstaande uitwerking niet van toepassing is op een medewerker, terwijl wel het (gedeeltelijk) recht bestaat op inkoop OP.
    Hoe te handelen?

    Meer informatie

    CAR-UWO artikel

    Artikel 9b:22
    Artikel 9b:22a
    Artikel 9b:45
    Artikel 9b:45a
    Lees de letterlijke tekst van deze artikelen


    Aan de informatie op deze site kunnen geen rechten worden ontleend