Verlof en non-activiteit in verband met een politieke functie

Als een medewerker wordt gekozen in de gemeenteraad of provinciale staten of benoemd in een college van burgemeester en wethouders, heeft hij op grond van artikel 125c, tweede lid, van de Ambtenarenwet recht op zogenaamd 'politiek verlof' voor vergaderingen of andere daarmee samenhangende werkzaamheden. Wanneer hij daardoor deze functie niet gelijktijdig kan vervullen met zijn werk bij de gemeente, wordt hij (gedeeltelijk) van zijn taak ontheven. Het non-activiteitsverlof is een in de Ambtenarenwet vastgelegd recht en kan daarom niet geweigerd worden. Een medewerker kan evenmin ontslagen worden vanwege het feit dat hij een functie heeft aanvaard in het gemeente- of provinciebestuur.

Verlof

Als een medewerker wel een functie bekleedt in een publiekrechtelijke college, maar niet (gedeeltelijk) op non-actief is gesteld heeft hij recht op bezoldigd buitengewoon verlof.
Dit verlof wordt, tenzij het dienstbelang zich hiertegen verzet, verleend voor:

  • het bijwonen van vergaderingen en zittingen van het publiekrechtelijke college;
  • het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van het publiekrechtelijke college.

Inhouding op bezoldiging

De Ambtenarenwet bepaalt dat in de arbeidsvoorwaardenregeling regels worden opgenomen betreffende de doorbetaling van de bezoldiging.
Gedurende de tijd dat de medewerker bezoldigd politiek verlof geniet, ontvangt hij ook een vaste vergoeding voor de vervulling van de functie in het publiekrechtelijke college. In de CAR-UWO is bepaald dat op zijn bezoldiging een met de duur van het verlof overeenkomende deel van de vergoeding wordt ingehouden.
Deze inhouding bedraagt maximaal de vergoeding voor het politieke ambt, die behoort bij de met het verlof overeenkomende tijd. De onkostenvergoeding die verstrekt wordt in verband met het publiekrechtelijk college blijft bij de inhouding buiten beschouwing.

Voor deze kortingsregeling kan gebruik worden gemaakt van het door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde taakduurnorm die wordt toegepast bij de overeenkomstige terugbetalingsbepalingen in de arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector Rijk.

Raadsleden in gemeenten met ten hoogste 30.000 inwoners worden geacht 7 uur per week te besteden aan het raadswerk. Voor gemeenten met 30.001 t/m 100.000 inwoners is een norm van 12 uur vastgesteld en voor gemeenten vanaf 100.001 inwoners is dat 24 uur. Voor leden van provinciale staten wordt uitgegaan van 11 uur per week, ongeacht de grootte van de provincie.
Voor wethouders en gedeputeerden in een deeltijdfunctie gelden de volgende normen:

gemeentegrootte taakduurnorm per week bij politiek verlof
<= 2.000 18 uur
2001 tot 4.000 22 uur
4001 tot 8.000 26 uur
8001 tot 18.000 30 uur
>= 18.001 en provincies percentage deeltijd * 40 uur (rekenkundig afgerond)

Voorbeeld 1
Een medewerker is naast zijn reguliere baan raadslid in een gemeente met 45.000 inwoners. Voor het raadslidmaatschap ontvangt hij een vaste vergoeding van € 895,93 per maand exclusief de onkostenvergoeding. De taakduurnorm is 12 uur per week. Hij werkt fulltime en verdient € 3.000,- incl. vakantietoelage per maand.  

In een bepaalde maand heeft de werkgever hem 20 uur verlof verleend in het kader van zijn raadslidmaatschap. Zijn bezoldiging wordt gekort met 20 * het uurloon, maar niet meer dan dat deel van de raadsvergoeding dat overeenkomt met 20 uur. Deze vergoeding wordt als volgt vastgesteld:
Voor een juiste vaststelling van het aantal uren per maand wordt de taakduur herleid naar een periode van 13 weken en vervolgens naar een aantal uren per maand:
(13 * 12 uur) : 3 = 52 uur.
De raadsvergoeding per uur is € 895,93 : 52 = € 17,23.
Tijdens de 20 uur verlof heeft hij 20 * € 17,23 = € 344,60 vergoeding voor de werkzaamheden ontvangen.
Het uurloon * het aantal uur verlof = (€ 3000 * 1/156) * 20 = € 384,62
Aangezien het laatste bedrag hoger is dan de vaste vergoeding voor het raadslidmaatschap die hij geacht wordt te hebben ontvangen tijdens het verlof, wordt de bezoldiging met € 344,60 gekort.

Voorbeeld 2
Een medewerker is naast zijn reguliere baan voor 50% deeltijd wethouder in een gemeente van 75.000 inwoners. Voor het wethouderschap ontvangt hij een wedde van 50% van
€ 6.464,60 = € 3.232,30 per maand. Hij werkt fulltime en verdient € 4.000,= per maand.

In een bepaalde maand heeft de werkgever hem wekelijks verlof verleend in het kader van zijn wethouderschap overeenkomend met de taakduurnorm die hoort bij het deeltijdpercentage: 50% van 40 uur = 20 uur per week. Voor een juiste vaststelling van het aantal uren per maand wordt de taakduur herleid naar een periode van 13 weken en vervolgens naar een aantal uren per maand:
(13 * 20 uur) : 3 = 87 uur per maand. Het uurloon * het aantal uur verlof = (€ 4000 * 1/156) * 87 = € 2.230,77.

Aangezien dit bedrag lager is dan de wedde als wethouder (zijn wethouderswedde is € 3.232,30 per maand), wordt de ambtelijke bezoldiging in dit voorbeeld met maximaal € 2.230,77 gekort.

Non-activiteit

Wanneer een medewerker zijn vertegenwoordigende functie niet kan uitoefenen in combinatie met zijn werkzaamheden bij de gemeente, krijgt hij op grond van artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet non-activiteitsverlof. In de CAR-UWO is bepaald dat een medewerker tijdens de non-activiteit geen recht heeft op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.

Omvang non-activiteitsverlof

De omvang van het non-activiteitsverlof wordt in principe bepaald door de tijdbestedingsnorm die bij de betreffende politieke functie hoort of het aantal uren waarvoor hij is benoemd. In principe gaat het verzoek om non-activiteitsverlof te krijgen uit van de medewerker.

Premie-verhaal bij non-activiteit

OP/NP

De medewerker bouwt tijdens de non-activiteit vanwege zijn wethouderschap of het lidmaatschap van gedeputeerde staten op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) pensioen op. De opbouw van ABP-pensioen als medewerker vindt gedurende die tijd niet plaats. De werkgever draagt over die tijd dan ook geen premie voor ouderdomspensioen (OP). Er hoeft dan ook geen OP-premie verhaald te worden op de medewerker. Bij gedeeltelijke non-activiteit wordt ABP-pensioen opgebouwd naar rato van de uren dat de medewerker werkzaamheden verricht bij de gemeente. De werkgever en de medewerker betalen ieder hun deel van de premie.

AAOP

De medewerker blijft de periode van non-activiteit verzekerd voor de bovenwettelijke invaliditeitspensioenregeling. De volledige premie blijft verschuldigd aan het ABP. In de Pensioenovereenkomst die door de gezamenlijke overheidswerkgevers en vakorganisaties is gesloten met het ABP is afgesproken dat de werkgever kan een deel daarvan verhalen op de ambtenaar. Bij dit verhaal wordt uitgegaan van de situatie alsof er geen verlof is. Met andere woorden: de werkgever kan alleen het werknemersdeel verhalen op de medewerker.

VUT-fonds premie

De FPU-premie blijft verschuldigd over de volledige betrekkingsomvang, ongeacht of volledig of gedeeltelijk non-activiteitsverlof wordt genoten. De werkgever verhaalt de volledige premie op de medewerker.

Meer informatie

Ambtenarenwet

Artikel 125c