Wanneer een medewerker overlijdt, eindigt de betaling van de bezoldiging met ingang van de dag na het overlijden van een medewerker. De nabestaanden ontvangen een overlijdensuitkering.
De aanspraak op bezoldiging eindigt op de dag van overlijden.
De nabestaanden van een overleden medewerker hebben aanspraak op een overlijdensuitkering.
Er worden twee situaties onderscheiden:>
ls de medewerker overlijdt na een ongeval in en door de dienst, hebben zijn nabestaanden recht op een uitkering die alleen in die gevallen van toepassing is: ’de overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst’. Deze uitkering komt bovenop de ‘normale’ overlijdensuitkering (zie hieronder).
Wanneer de nabestaanden ook recht hebben op een uitkering op grond van een wettelijke verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid, wordt de overlijdensuitkering verminderd met die wettelijke uitkering. Dit geldt niet bij de overlijdensuitkering na een ongeval in en door de dienst, maar alleen voor de 'normale' overlijdenuitkering.
Wanneer de medewerker met zijn nabestaanden in een dienstwoning woonde, dan mogen de nabestaanden gedurende de maand van overlijden en de drie maanden daarna in die dienstwoning blijven wonen. Alleen wanneer het belang van de gemeente dat vereist, kan deze termijn bekort worden. Als de medewerker voorafgaand aan zijn overlijden de gemeente een vergoeding betaalde voor het gebruik van de dienstwoning, zijn ook de nabestaanden die vergoeding verschuldigd gedurende de tijd dat zijn nog in de dienstwoning wonen.