Met behulp van het gemeentelijk cafetariamodel kan een medewerker vakantie-uren kopen of verkopen. Aanvullend aan deze twee ruilmogelijkheden kan de werkgever lokaal nog meer ruilmogelijkheden creëren. Te denken valt bijvoorbeeld aan een fietsregeling of de vakbondscontributie.
De basisgedachte van het cafetariamodel is dat de medewerker er voor kiest om een bepaalde arbeidsvoorwaarde (de bron) in te ruilen voor een andere arbeidsvoorwaarde (het doel). Een voorbeeld is het ruilen van een vakantie-uur tegen een financiële vergoeding, of het ruilen van een deel van het salaris tegen een extra vakantie-uur. De bronnen zijn in de CAR-UWO limitatief benoemd en kunnen dus lokaal niet worden uitgebreid. Aan de standaard doelen, die in de CAR-UWO zijn geregeld (tijd en geld) kunnen er lokaal wel enkele worden toegevoegd.
De werkgever kan lokaal een aantal bestedingsmogelijkheden aan het cafetariamodel toevoegen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een fietsregeling of de vakbondscontributie.
Vaak is er sprake van een fiscale regeling waardoor de bron-arbeidsvoorwaarde bruto kan worden ingezet om de doel-arbeidsvoorwaarde mee te financieren. Daarmee wordt bedoeld dat over de arbeidsvoorwaarde (salaris, vakantie-uren) die de medewerker inlevert, geen belasting wordt geheven. Op deze manier ontstaat er een fiscaal voordeel.
Mogelijke bronnen die mogen worden ingezet voor de lokaal vast te stellen bestedingsmogelijkheden zijn ( limitatief) opgesomd:
Indien de werkgever een lokale uitbreiding wil geven aan het cafetariamodel, moet hij voor de uitvoering hiervan nadere voorschriften vaststellen.