De werkgever stelt regels over werktijden vast in een lokale werktijdenregeling. Daarbij wordt ervoor gezorgd dat medewerkers zo weinig mogelijk op zon- en feestdagen werken. De werktijden moeten ten minste één maand voor aanvang aan de medewerker bekend worden gemaakt. Bij het vaststellen van de werktijden hoort rekening te worden gehouden met de bepalingen van de Arbeidstijdenwet.
De lokale werktijdenregeling heeft onder meer betrekking op werktijden, werken op zaterdagen, zon- en feestdagen en roostering. Artikel 4:2 lid 2 geeft hiervan een opsomming.
Als medewerkers op wisselende tijden moeten werken, stelt de werkgever daarvoor roosters op. Deze roosters worden ten minste één maand voor aanvang aan de medewerker bekend gemaakt. Als door het rooster de feitelijke arbeidsduur afwijkt van de formele arbeidsduur per week dan geldt de hoofdregel dat overleg moet plaatsvinden tussen de werkgever en de medewerker.
Bij de vaststelling van de werktijdenregeling en de toepassing ervan houdt de werkgever er zoveel mogelijk rekening mee, dat de medewerker op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken. In zijn zondagsrust wordt de medewerker zo weinig mogelijk gestoord. Een medewerker hoeft dan ook niet te werken op zon- en feestdagen, tenzij dit in het belang van de dienst noodzakelijk is. Een medewerker kan in ieder geval niet meer 26 zondagen per jaar worden ingeroosterd.
Voor elke zondag dat een medewerker werkt, wordt hij een werkdag (maandag tot en met vrijdag) niet ingeroosterd. Arbeid op feestdagen wordt aangemerkt als arbeid op zondag.
De volgende feestdagen worden erkend:
Voorgaande geldt eveneens voor de kerkelijke, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door de werkgever zijn aangewezen als dagen waarop de openbare dienst is gesloten.
Als een medewerker tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op zaterdag viert, kan hij op zijn verzoek deze dagen gelijk laten stellen aan de zondag.
De werktijd van de medewerker moet op een behoorlijke manier door pauzes worden onderbroken.
De werkgever kan voor de brandweer ten aanzien van het bovenstaande een afwijkende regeling treffen. Dit geldt ook voor dienstonderdelen die met de brandweer te vergelijken zijn ten aanzien van de dienstroosters. De hoofdregel dat de werkgever met de medewerker moet overleggen wanneer de feitelijke arbeidsduur per week afwijkt van de formele, geldt daarom niet voor de brandweer en voor die dienstonderdelen die met de brandweer te vergelijken zijn.
De Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit stellen nadere voorwaarden aan de werktijden, pauzes en roostering van de medewerker.